Néerlandais dans le secondaire/l'itinéraire : demander le chemin : exercice 2
Un livre de Wikibooks.
Sections |
[modifier] Établir le contact
- Dag meneer, kunt u mij zeggen waar het postkantoor is?
- ........................................................
- Kunt u me de weg wijzen?
- ........................................................
- Kunt u me de weg naar het postkantoor wijzen?
- ........................................................
- Ja, natuurlijk.
- ........................................................
- Het spijt me. Ik weet niet waar het postkantoor is.
- ........................................................
[modifier] Situation générale
- De bank ligt in het centrum.
- ........................................................
- De bank ligt dichtbij het station.
- ........................................................
[modifier] Le moyen de transport
- Ben je te voet? ou Ga je te voet?
- ........................................................
- Ik ben met de auto. ou Ik ga met de auto.
- ........................................................
- Ik neem de metro.
- ........................................................
- Ik neem het openbaar vervoer.
- ........................................................
[modifier] La proximité
- Is het ver?
- ........................................................
- Is het dichtbij?
- ........................................................
- Hoe ver is het naar de bank? ou Hoe ver is de bank?
- ........................................................
- Hoelang moet ik lopen?
- ........................................................
- Het is ver.
- ........................................................
- Het is niet ver.
- ........................................................
- Het is dichtbij.
- ........................................................
- Het is vijf kilometer.
- ........................................................
- Het is 20 minuten.
- ........................................................
- Het is 20 minuten rijden. ou Het is 20 minuten met de auto.
- ........................................................
- Het is 20 minuten met de fiets. ou Het is 20 minuten fietsen.
- ........................................................
- Het is 20 minuten lopen.
- ........................................................
- Het is 15 minuten met de metro (de tram, de bus).
- ........................................................
- Het is de volgende halte.
- ........................................................
- De markt is de volgende halte.
- ........................................................
- De schoolstraat is de volgende halte.
- ........................................................
- Je moet bij de volgende halte uitstappen.
- ........................................................
- Het is twee haltes verder.
- ........................................................
- Het is dichtbij het station.
- ........................................................
- Het is dichtbij het centrum.
- ........................................................
- Het is tegenover de bank.
- ........................................................
- Het is 50 meter van het gemeentehuis.
- ........................................................
[modifier] Les erreurs
- De markt? dat was de vorige halte.
- ........................................................
- De schoolstraat was 2 halten terug.
- ........................................................
- De schoolstraat? Dan moet u lijn 10 nemen, ik kom daar niet.
- ........................................................
- De Schoolstraat? Daar komt geen openbaar vervoer, u kunt beter een taxi nemen/gaan lopen/...
- ........................................................
[modifier] Les indications
- Loop rechtdoor ou Ga rechtdoor.
- ........................................................
- Rijd rechtdoor.
- ........................................................
- Sla linksaf. (à pieds, à vélo, en voiture, etc)
- ........................................................
- Sla rechtsaf.
- ........................................................
- Ga tot het station.
- ........................................................
[modifier] Transports en commun
- Je moet de metro nemen, lijn 2, richting Simonis.
- ........................................................
- Je moet bij DeBroecker uitstappen.
- ........................................................
- Je moet bij Beekant overstappen en lijn 1A nemen.
- ........................................................
- Je moet tram 52 nemen.
- ........................................................