Néerlandais dans le secondaire/la ville : les bâtiments : exercice lacunaire
Un livre de Wikibooks.
Complétez les phrases suivantes.
apotheek - bakker - bank - gemeentehuis - kapper - kruidenier - politiebureau - slager - supermarkten - ziekenhuis
- Ik ga geneesmiddelen in de .............. kopen.
- Hij heeft zijn been gebroken. Hij gaat naar het ...............
- Mijn auto is gestolen, ik ga een klacht bij het ............... indienen.
- Elke zondag ga ik croissants bij de ............... kopen
- Ik heb een biefstuk nodig. Ik ga 200 g vlees bij de ............... kopen.
- Ik wil een nieuw huis kopen. Ik ga een lening bij mijn ............... aanvragen.
- Aldi, Carrefour, en ook Delhaize zijn voorbeelden van ............... .
- Mijn haar is te lang, ik ga naar de ............... .
- Ik heb een geboorte-uitreksel voor mijn werk nodig. Ik moet naar het............... .
- Ik heb sla en een enkele tomaten nodig. Ik ga naar de ............... .