Néerlandais dans le secondaire/la ville : les bâtiments : exercice lacunaire

Un livre de Wikibooks.

Complétez les phrases suivantes.

apotheek - bakker - bank - gemeentehuis - kapper - kruidenier - politiebureau - slager - supermarkten - ziekenhuis

  1. Ik ga geneesmiddelen in de .............. kopen.
  2. Hij heeft zijn been gebroken. Hij gaat naar het ...............
  3. Mijn auto is gestolen, ik ga een klacht bij het ............... indienen.
  4. Elke zondag ga ik croissants bij de ............... kopen
  5. Ik heb een biefstuk nodig. Ik ga 200 g vlees bij de ............... kopen.
  6. Ik wil een nieuw huis kopen. Ik ga een lening bij mijn ............... aanvragen.
  7. Aldi, Carrefour, en ook Delhaize zijn voorbeelden van ............... .
  8. Mijn haar is te lang, ik ga naar de ............... .
  9. Ik heb een geboorte-uitreksel voor mijn werk nodig. Ik moet naar het............... .
  10. Ik heb sla en een enkele tomaten nodig. Ik ga naar de ............... .